Wachten op de regiotaxi

Wachten op de regiotaxi

“Deze is niet van mij!” Meneer zwaait triomfantelijk een geel gerafeld washandje boven zijn hoofd, net zorgvuldig uit zijn schone wastas gevist. Hij is even ervoor door de mevrouw van de regiotaxi de wasserette in geduwd, heeft zijn schone was van mij ontvangen en moet nu een uur wachten voordat de volgende taxi hem weer komt halen. Hij heeft zijn rolstoel moeizaam geparkeerd tussen de gekleurde stoeltjes die voor de wasmachines staan. Als ik hem vol ongeloof vraag naar deze lange wachttijd zegt hij: “Ach ja, je stelt je erop in, hè?” Ik stel een kopje koffie voor om de tijd wat te doden. “Graag, met suiker en melk” antwoordt hij. Het valt me op dat meneer uiterst beschaafd praat en heel vriendelijk is. “Maakt u eerst maar af waar u mee bezig bent, hoor!” De stem contrasteert met het lichaam dat in de rolstoel zit. Het is duidelijk dat zijn hoofd nog zoveel meer kan dan zijn lichaam. Dat is er een tijdje geleden al mee gestopt. Daar moet je het dan mee doen aan het eind van je leven, mijmer ik. Ik zet het kopje koffie neer op de stoel naast hem. Met veel moeite kan hij zijn vingers zo gebogen krijgen dat ze het kopje kunnen vasthouden. “Kunt u er misschien nog een schepje suiker bij doen?” “Natuurlijk, geen moeite” zeg ik.

Ik heb vandaag veel te doen, dus ik vouw wassen, mangel lakens en help klanten die stoomgoed komen brengen en halen. Ondertussen kijk ik af en toe naar de meneer in de rolstoel. Gebogen rug, zijn hoofd hangt iets voorover en zo nu en dan zakken zijn ogen wat dicht. Ik probeer een praatje met hem te maken. Ik stel voor dat we de was kunnen brengen en halen bij hem thuis. Maar terwijl ik het zeg, besef ik dat dit alles toch een uitje voor hem is; even in een andere omgeving. Ik vraag me af wat hij vroeger voor beroep gehad zal hebben. Ik denk een goede baan. En getrouwd denk ik, maar zijn vrouw inmiddels overleden. Het moment om het te vragen gaat echter voorbij.

Meneer tovert een piepklein mobieltje uit zijn tas en belt met zijn uiterst beschaafde telefoonstem om te informeren waar de taxi blijft. Ze zouden er al een kwartier moeten zijn. De mevrouw aan de andere kant van de lijn verzekert meneer dat er iemand aan komt, maar na een kwartier is er nog steeds niemand. “Nu ben ik toch echt boos” murmelt hij, maar zijn aardige stem aan de telefoon verraad niets van dit alles. “Prima mevrouw, ik wacht hier op u” hoor ik hem zeggen.

Als hij met zijn derde telefoontje bezig is om zijn afspraak later op de dag te verzetten, omdat zijn hele schema door de vertraging in de war loopt, komt er eindelijk de man van de regiotaxi binnenlopen. Het valt me op dat hij de rolstoel al begint te duwen, zonder dat meneer daar klaar voor is. Er komt een dag waarop iemand gewoon je rolstoel begint te duwen zonder dat je daar toestemming voor geeft. Daar kun je dan niets aan doen, denk ik.

Moeizaam wordt hij door de deur gemanoeuvreerd. “Fijne dag nog meneer” roep ik hem achterna. Maar hij lijkt me niet te horen, teveel bezig om de taxibus goed in te komen en alles bij zich te hebben. Door het raam zie ik dat hem de gordels omgedaan worden. Ik blijf een tijdje kijken, in de hoop dat ik oogcontact kan maken om nog even te kunnen zwaaien, maar ik zie een oude ineengedoken man die verslagen voor zich uitkijkt en wordt weggereden. Dit treurige beeld houdt me de hele dag nog vast.